Na mijn ontbijt, dat vandaag bestaat uit droog brood en koffie, wil ik toch even een moment van bezinning inbouwen. Gisteren heb ik niet de kans gehad om de eucharistieviering bij te wonen. Vandaag voelt dit als een gemis. Daarom lees ik de lezingen van gisteren na en laat de teksten inwerken op mijn gedachten. Jezus vergelijkt het Rijk der Hemelen met een schat en een parel. Vooral de parabel van de parel spreekt me vandaag heel erg aan. Ben ik zelf ook niet op zoek naar een parel? Is mijn hele tocht geen zoektocht om de parel van mijn roeping in mijn hart te vinden? Zal ik hem vinden? Ik hoop van wel en in zekere zin voel ik het ook zo aan te komen. Maar waartoe zal ik bereid zijn om deze parel te bemachtigen? De man in de parabel verkocht al zijn bezittingen. Het is radicaal… Maar, laat me maar eerst op zoek gaan naar de parel, naar de schat. Dan zien we wel weer verder.
Ik kom al heel snel op het fietspad naast het ‘Canal du Midi’ en mag al een eerste bijzonderheid zien: het kanaal loopt over een brug over de Orb. Ik had dat eerder al gezien over de Loire. Nu zie ik het voor de tweede keer. Het is hier niet zo beangstigend als toen. Het fietspad is voldoende breed. Enkele kilometers later krijg ik een tweede bezienswaardigheid voor ogen: de negen sluizen die achter elkaar opgesteld staan. Dankzij die negen sluizen zijn er tot in Carcassonne bijna geen sluizen meer nodig.
Je zou denken dat, als je langs een kanaal rijdt, het altijd vlak is. Dat is niet helemaal zo. Soms gaat het bergop, zelfs steil bergop aan een brug, maar ook weer bergaf. Je denkt dat je snel vooruit geraakt langs het kanaal, maar dat valt best tegen. Er is bijna geen verharding. Soms rijd je op een mooi gravelpad, soms zijn het wegen met putten en stenen, soms is het maar een paadje van nog geen twintig, dertig centimeter breed. Je moet dan altijd goed uitkijken waar je rijdt. Mijn grootste schrik is lek te rijden. Op dit ogenblik is het nog niet gebeurd, maar ik houd mijn hart vast!
Ondanks dat de weg soms heel veel aandacht vraagt is er ook nog tijd om van het landschap te genieten. Ik rijd langs mooie vergezichten, wijngaarden, kom vele mooie boten tegen die nog trager zijn dan mijn fiets en passeer mooie brugjes. ‘s Ochtends zijn er veel hardlopers, later kom ik vooral fietsers zoals ik tegen: met pak en zak op fietstocht. Tussendoor vermeld ik nog even dat ik na tien kilometer in het eerste dorpje, Colombiers, gestopt ben om een degelijk ontbijt te nemen.
Op een bepaald ogenblik, ik ben nog niet zo ver, moet ik een kort maar heel stevig klimmetje doen. Hijgend kom ik boven. Daar staan een man en een vrouw, ook met een bepakte fiets - zei het in lichtere uitvoering - te zoeken hoe ze moeten rijden. Ze willen langs het kanaal naar Toulouse. Ik haal mijn routekaart boven en we zien dat ze gewoon ook de weg naar Caracassonne moeten nemen en kort daarvoor af moeten wijken naar Toulouse. We rijden verder, ik iets sneller dan hen. In Capestang rijd ik van de route af, het dorp in, op zoek naar water. Het is ondertussen reeds goed warm en de wind vraagt ook veel energie. Terug op de weg rijd ik hen bijna voorbij. Ze roepen me. Ik stop. Ze presenteren me een gedroogde banaan. Ik heb dit nog nooit gegeten. Het gaat lekker binnen. Het is een goed alternatief voor een gewone banaan. Je koopt ze groen ‘s ochtends en ‘s middags zijn ze al bruin en hebben binnenin rotte plekken. Ik rijd weer verder. Plots hoor ik achter me iets vallen. Ik kijk om en zie dat mijn sint-jacobsschelp op de grond ligt. Hopelijk is dit geen slecht voorteken. Ik stop direct en raap hem op. Hij is niet beschadigd. Het touwtje waarmee hij weken vast hing is langzaam doorgeschuurd. Ik berg hem veilig in mijn stuurtas. Die schelp moet echt wel bij me blijven, minstens tot ik in Santiago ben.
Het wordt stilaan tijd om een slaapplek te vinden. Ik kijk op de kaart waar de herbergen zijn. Dan pas stel ik vast dat de weg langs het kanaal niet het pelgrimspad is. Dat ligt iets noordelijker. Dan maar kijken naar een camping. Maar dat wordt heel veel omrijden. Ik besluit om mijn weg verder te zetten. Op een bepaald ogenblik komen die bij de plekken waar herbergen zijn: Olonzac: geen gite meer; Beaufort: geen mensen om de pelgrims te ontvangen, dus gesloten. Dan toch maar een camping zoeken. Gelukkig is er in Pépieux een gemeentelijke camping. Die ligt ongeveer vijf kilometer verder. Daar dus maar naartoe. Vertrouwend op Google rijd ik langs veldwegen tussen de wijngaarden door. Wanneer ik op de camping mijn tent opzet, komt het koppel langsgelopen. Zij hebben minder geluk. Ze hadden een caravan op deze camping gereserveerd voor vannacht, maar dat gaat niet door. Omdat ze zelf geen tent hebben zullen ze onder de blote hemel slapen op een klein vies plekje voor de caravan. Dat is niet hun eerste keer. De plek naast me is nog vrij. Ik stel voor dat ze daar gebruik van mogen maken. En anders kunnen ze ook wel bij mij op mijn plek liggen. Eric en Benedicte zijn hier heel blij mee en gaan met de eigenaar overleggen. Ze mogen gratis blijven slapen op de plek naast me. Voor het eten drinken we samen nog wat en praten lekker bij.
Na het avondmaal wil ik mijn afwas doen. Ik merk dat de plastic zakjes in mijn fietstas glibberig zijn. De tube met wasmiddel is opengegaan en uitgelopen. De hele boel verhuist naar de afwasbak en krijgt een grondige beurt. Ik heb nu alleszins één fietstas die van binnen schoon is!
Tijd om in de tent te kruipen. Mijn buren liggen al op hun matje. Morgen een korte rit naar Carcassonne. Voor alle zekerheid heb ik daar vandaag gereserveerd. Ik blijf er twee nachten zodat ik een rustdag kan inplannen en alle tijd heb om de stad te bezoeken die door zovele volgers wordt aangeprezen.
Nog één ding: de bulten zijn allemaal muggenbeten. Ze zitten hier in de streek overdadig. Bij de apotheek heb ik een medicijn gekregen tegen de jeuk, een zalf met wat cortisone in en een lotion die beweert dat ze zestien uur van mijn lijf blijven. Laten we hopen dat die bewering juist is.
Geschreven door Dominiek.op.pelgrimstocht